Exodus 12, 1-14, 1 Korintiërs 11, 23-32, Johannes 13, 1-15
Jezus eet mijn zijn vrienden het Paasmaal ter herinnering aan de uittocht van het joodse volk uit Egypte. Hij kijkt dus terug, maar Hij kijkt ook vooruit naar wat er met Hem zelf gaat gebeuren. Daarmee geeft Hij aan het joodse Paasmaal een nieuwe betekenis: het brood en de wijn zijn de tekens die verwijzen naar wat er met Hem gaat gebeuren in de komende dagen: zijn sterven en verrijzen. En tegelijk geeft Hij ons een voorbeeld mee: zoals Hij als een slaaf zijn vrienden de voeten wast, zo moeten wij als zijn volgelingen dienstbaar zijn aan elkaar.
